Van marmer naar vlees

Ze speelden viool of piano. Goedgekleed, van die mannen die liever zelf bekeken werden dan bekijken. Lazen Dostojevski. Verdiepten zich in filosofie, kunst. Droegen nooit witte sokken. De eerste studeerde rechten. Een Leidse corpsbal. Natnek noemde mijn moeder hem. Zijn lange vettige mat maakte al zijn witte boorden smoezelig. Zijn lichaam was ielig, rank. Zag er vooral goed uit met kleding aan. Een kledinghanger, zoals hij zelf zei. Ik was negentien. Smoorverliefd. Tien jaar later kwam er een engel, lang, ook dun, een bos koperen krullen. Ogen zo helder alsof die nooit enige narigheid hadden aanschouwd. Ik viel op hoofd. Schoonheid. De gecultiveerde man.

Lichamen bestudeerde ik alleen. Niet op de manier waarop je denkt: de zwetende, pulserende mannenlichamen in mijn bed. Nee. Als kunsthistoricus. Spieren bewonderde ik in marmer. De enige sixpack die ik aandachtig bekeek was de Torso Belvedere, te zien in Rome. Hoofd, armen, penis en onderbenen zoekgeraakt in de tijd. Alleen de imposante torso had de meedogenloze eeuwen overleefd. Verminkte kracht. Ik keek. Observeerde van een afstandje. Draaide om de sokkel. De lichtgrijze schaduw die de marmeren aderen spiegelt. De beschaduwde omlijning van de biceps, triceps, en alle andere welgevormde bollingen op het lichaam die ik niet kon benoemen. Ik wilde de stenen spieren aanraken, aaien, de afstandelijke koelte voelen. Gepenetreerd worden door het eeuwenoude marmer, door perfectie.

De bekendste marmeren man is Michelangelo’s David. Het beeld is naakt zonder seks. Onschuldig. Bijna zoals een naakt baby engeltje op een schilderij. Putti noemen we die. Zo groots en imposant David is, zo weinig imposant is zijn penis. Op zich niet gek, David aanschouwen we in opperste paraatheid. Klaar voor zijn gevecht met de reus Goliath. Een groeier dus, David. Misschien had hij altijd een kleine penis, viel er niet veel te groeien of te bloeien. In de Klassieke oudheid stond een kleine penis symbool voor zelfbeheersing, beschaving, rationaliteit. Ik noem dit het hoofdelijke. Een grote lul stond voor lust, het dierlijke, domheid.

Niets is zo aards, vleselijk en mannelijk als een fysiek gevecht. Ook dit vond ik prachtig, in steen, uiteraard. Waardoor het vleselijke weer hoofdelijk werd: cultuur, kunst. Mijn favoriet: de bombastische Griekse beeldengroep de Laocoön. Laatstgenoemde was een Trojaanse priester. De stad Troje was in oorlog, met de Grieken zoals je weet. Zij hadden zo’n ingenieus houten paard geknutseld. De priester rook onraad, verbood zijn stadsgenoten om het houten gevaarte binnen te laten. De Griekse goden, die wilden dat Troje viel, straften de priester. Ze lieten twee enorme zeeslangen uit de zee opdoemen. De slangen doodden de priester en zijn twee zonen. Het beeld is een massa kronkelende lichamen. Vechtend voor hun leven. Beheerst vechtend voor hun leven. De priester lijdt ondraaglijk, maar dat is niet aan hem af te zien. Zijn mond is open, een esthetische schreeuw, geen schreeuw van de pijn.

Ik, hoofdelijk meisje. Mijn tepels werden stijf door scherpe zinnen, in plaats van grote mannenhanden. Door stiekem de marmeren sculpturen te betasten. Van gestreel, in plaats van iemand die mij op bed gooide.

Zo verhield ik mij tot mannelijkheid. Het liefst gebeiteld in marmer. Inclusief kleine penis, al dan niet afgehakt ergens in de voorbijgaande eeuwen. Stoïcijnse menselijke landschappen. Te mooi om geil te zijn.

In 2022 veranderde dit radicaal.

Parijs. Het was snikheet. Ik droeg een jurkje. Liep door de stad alsof die speciaal voor mij was aangelegd. Dronken van mijn eigen vrouwelijkheid. Golvend door mijn ovulatie. Ik zag hem pas laat, de gestalte. De man-man. Zijn neus in een spalk. Verband om zijn oor. Een vechter. Een vleesgeworden beeld van Michelangelo. Mijn hartslag bonkte in mijn schede. Hij liep op mij af. Scheurde de jurk van mijn lijf. Althans, dat fantaseerde ik.

Hij liep gewoon voorbij.

Sinds wanneer ben ik dit lekker gaan vinden? Gespierde armen, brede schouders? Zelfs een bloemkooloor. Ik ben een kunsthistoricus. Quasi intellectueel. Ik verkoos toch altijd het hoofd boven het lichaam?

Het is verre van origineel om te verkondigen dat ik gespierde mannen aantrekkelijk vind. En ik begrijp dat het problematisch lijkt om het fysieke mannelijke ideaalbeeld te verheerlijken in tijden van de ‘manosphere’. Maar ik wil hier niets verheerlijken, ik onderstreep dat ook mannen lijden onder een rigide schoonheidsideaal, en dat zowel mannen als vrouwen bevrijd zouden moeten worden van die strenge normen. Laat ik het zo zeggen: het is een relatief nieuwe fascinatie, en het is díe omslag die me interesseert. En nee, ik zeg niet dat ik nooit meer op een ielige intellectueel zal vallen. Tussen de regels door: ik wil met dit stuk geen potentiële partner afschrikken.

Deze omslag herken ik niet in mijn omgeving. In mijn familie wordt naar de sportschool gaan stukken minder gewaardeerd dan een bibliotheekbezoek. Ook mijn vriendinnen kiezen voor de Amsterdamse Volkskrant-lezer. Zuurdesembroodeter. Padelt, wielrent in het weekend met vrienden. Gewoon, goede jongens. Geen vechters. Geen bloemkooloren. Allemaal heel leuk en aardig, maar ik krijg helemaal de kriebels, niet in positieve zin, van padellende mannen. 

Een schoonheidsideaal is niet gebeiteld in steen. Onze verlangens zijn kneedbaar, plooien zich naar de wereld. Is eten schaars, dan is een dikker lichaam in. Nu is overvloed van eten de norm. Eten is goedkoop, werk is zittend. Kracht is nauwelijks meer nodig om brood op de plank te krijgen. Spierkracht is pure esthetiek en symboliek geworden.

Waar staat het dan symbool voor? Het lichaam zien we als een maakbaar iets. In een wereld waarin onze basisvoorwaarden zoals werk en wonen steeds meer onder druk staan, willen we grip en controle over ons lichaam. Een gespierd lichaam is een uiting van controle, van discipline, van welvaart en traditionele mannelijkheid.

Nooit zal ik weten hoe het voelt om een sterke man te zijn. Het lijkt mij een lekker gevoel om een ruimte in te lopen en te weten dat je angst inboezemt, omdat je iedereen ‘een kopje kleiner’ kan maken als je dat zou willen. Dat je door donkere steegjes kan lopen in het midden van de nacht. Een vrouw optillen alsof het een pak suiker betreft.

Ik weet wél hoe het is om aan de andere kant te staan: om opgetild te worden, mij weerloos en klein te voelen tegenover een breed manlijf. Beklemmend. Fijn. Opwindend.

Mijn vorige vriend was de eerste met een gespierd lijf. Ik hield ervan om in zijn gespierde armen te liggen. Om zijn biceps even aan te raken als we ergens koffiedronken. Een lichaam zo anders dan de mijne. Gespierdheid is een visuele uiting van polariteit. Het spel tussen het mannelijke en het vrouwelijke, het spel van tegenstellingen, van dansende aantrekking. Mijn lichaam dat zacht is, lenig, met golvende vormen, tegenover een lijf dat hoekig is, vierkant, sterk. Een ander lichaam dat richting aanwijst. Mijn lichaam dat vult.

Sinds kort doe ik Braziliaans jiujitsu. Een sport waarbij ik het niet erg vind om te verliezen. Houdgrepen, beenklemmen, nekklemmen door bezwete sterke mannen boezemen mij ontzag in. Wordt mijn hoofd geplet tussen iemands dijen door de triangle choke, denk ik enerzijds ‘fuck’ en anderzijds ‘wat een kracht’. Ik ben deelnemer: degene die meevecht, aandachtig chokes probeert te onthouden, en meeklapt als de instructies voorbij zijn. Iemand die deze sport écht wil leren. En toeschouwer: degene die binnendringt in dit mannendomein. Die niet alleen baalt van een submission, maar ook plezier vindt in de overweldigende mannelijkheid die mij overspoelt. Naast het trainen van mijn eigen fysieke kracht, wil ik kunnen opgaan in de fysieke kracht van de ander. Oplossen in zwetende kracht. Mij lichaam tegen de grond gedrukt door een scheen op mijn zij, mijn nek in een elleboogholte.

Ooit las ik ergens dat iemand ten tijde van de apocalyps het liefst wilde verdwijnen in de armen van Arie Boomsma. Dat hij dan telkens zou zeggen ‘het komt goed.’ Ik begrijp dit verlangen naar lichamelijke houvast in een wereld die soms zo beangstigend is, zo oncontroleerbaar. Misschien is dat wat het getrainde lichaam echt belooft: niet kracht, maar de fantasie dat iemand geloofwaardig genoeg is om te beloven dat het goed komt.

Mannelijkheid is tegenwoordig een beladen onderwerp. Het Stedelijk museum wijdt een tentoonstelling aan de vraag wat mannelijkheid is. Kranten staan vol artikelen over toxische masculiniteit. We hebben moeite met het mannelijke, want we hebben het verbonden met onderdrukking, met oorlog, met het Derde Rijk, met alles waar we vanaf willen. Mannelijkheid is verdacht geworden. Bevraagd, bekritiseerd. En terecht, we horen te ontleden wat we voor lief nemen. Maar masculiniteit afwijzen, gaat ons niet verder brengen. Het kan naast elkaar bestaan: het bevragen van mannelijkheid en de fascinatie ervoor, het verlangen ernaar.

Mijn ultieme verlangen toont zich in MMA. Het is een plek waar mannelijkheid onbeschaamd gevierd wordt. Een zwetende en bloedende Laocoön. Een gevecht waar écht iets op het spel staat. Gespierd zijn is hier niet ter decoratie, het is van levensbelang. MMA-vechters zíjn hun lichaam. Vroeger snapte ik niks van die sport. Vond het barbaars. Gewelddadig. Eng. En onintelligent, want al die uren in de sportschool konden ook worden besteed aan het leren van een andere taal, aan het lezen van Proust. Kwam het doordat ik zelf naast mijn lichaam zweefde dat ik weinig had met lichamelijkheid? Zoek ik inmiddels het vleselijke op omdat ik zelf ook meer vleselijk en aards ben geworden? Meer balans tussen mijn hoofd en mijn lijf. Meer voelen in plaats van bestuderen. Op bed worden gegooid in plaats van gestreeld.


MMA is een plek tussen de volheid van het leven en de dood. Net als seks. Een orgasme heet in het Frans niet voor niks la petite mort, een kleine dood.

You always think you are going to win, otherwise you couldn’t fight at all’, lees ik in het essay On Boxing van Joyce Carol Oates. Een onuitputtelijk optimisme dat symbool staat voor leven. Tegenover de dood, omdat een verkeerde trap of stoot fataal kan zijn. Men speelt padel, men speelt voetbal. Maar MMA speel je niet. Het is geen spel, het ís. En juist daarom ontstijgt het het dagelijkse, het banale, het repetitieve: in de file staan, bruine boterhammen in boterhamzakjes, de werkgever die tegen je schreeuwt. We worden meegezogen in de spanning, de ontlading, het bombastische. MMA-vechters zijn als aardse Griekse goden. Griekse goden waren allesbehalve engelen: ze waren krachtig, wraakzuchtig, bloeddorstig, jaloers en belichaamden alle menselijke emoties tot in het uitvergrote. Het leven in uitvergroting.

Daarom wond die man me zo op, daar in Parijs. De kracht, het ultieme masculiene, in een wereld die er bang voor is, en ik die er ook deels bang voor ben. Een lichaam dat mij kan verscheuren én beschermen. Verlangen is niet rationeel, nooit werkelijk te begrijpen. Hij tilde mij op, zonder mij op te tillen.

De Laocoön is het ultieme mannelijke ideaal. Groots, gespierd, een leider, een priester. Alleen zelfs zijn gespierde lichaam kon zijn lot, de dood, niet tegenhouden. Gespierde mannen zijn een belofte van onoverwinnelijkheid. Een belofte, want het vlees is nooit onoverwinnelijk. Maar vlees kan mij tenminste vasthouden. Marmer niet.

Stuk verscheen in Playboy (oktober 2026)

Next
Next

Brief aan mijn ongeboren kind