Reflecties uit Kaapstad
Maar ik moet mij verhouden tot dit ongemak, omdat deze plek, de slavernij, de overzeese handel, de VOC-mentaliteit mij mogelijk heeft gemaakt: mijn leven, mijn geschiedenis, mijn zijn en mijn toekomst. Ik woon een steenworp van de grachten, loop er elke dag, en ben telkens weer onder de indruk. Als iets subliem en fijn genoeg is ga je er nooit aan wennen, gaat het nooit vervelen: de grachten, de Alpen, Rembrandt, seks.
Wit, maar anders wit
Zuid-Afrika, ik wist dat ik het een moeilijke plek zou vinden. Maar ik wist ook dat ik er desondanks naartoe zou gaan. Ik wachtte op het juiste moment, op een reden. Mijn neef ging trouwen in Kaapstad. Ik kocht een ticket.
Ik herkende white guilt bij een paar vriendinnen, ik vond het een vermoeiende, performatieve en linkse manier van zelfkastijding. Telkens de angst om ‘het verkeerde’ te zeggen, helemaal in de kramp schieten als iemand de ‘Gouden Eeuw’ zegt. Dit schaamtegevoel was mij vreemd, tot Kaapstad.
Ik arriveerde in Stellenbosch. De perfecte groene glooiende heuvels, de rijpe, geordende wijngaarden, het irriteerde me, zoals golfbanen en Vinex-wijken me irriteren: die gecultiveerde vanzelfsprekendheid. Het is Wassenaar in Afrika. Een reeks dezelfde Boho-sjieke winkeltjes, terrassen vol blanke Chenin Blanc drinkende gezette vijftigplussers. Een mix van Afrikaners (de witte Afrikaanse bevolking), toeristen en zwaluwen, zoals deze groep zich trots noemt, zij overwinteren in Kaapstad en leven in een eindeloze zomer.
De blanken zitten. De gekleurden werken: in de keuken, in de bediening, of achter het stuur.
Ik voelde ongemak als ik weer door een zwarte taxichauffeur werd afgezet voor een groot hek waarachter een restaurant of estate lag met een idyllische naam zoals: Welgelegen, Tevreden, Rust en Vrede, een belofte die niet voor iedereen gold.
Gepensioneerde vrouwen spreken eraf om te lunchen, ze noemen zichzelf een ‘damesclubje’. Mannen in witte shirts drinken een glas wijn na het golfen. De wijnkaart is eindeloos, net als de middagen. Op de menukaart staan Wagyu burgers en zeevruchten.
Ik zat daar ook, maar alleen fysiek, mijn witte lichaam voor het eerst in het jaar weer in een zomerjurk, nog moe van de lange vliegreis. Geestelijk bevond ik mij ergens anders, daar waar ik liever wilde zijn, althans dat hield ik mij voor: kletsen en lachen met de taxichauffeurs en dansen op Afrikaanse muziek, in plaats van wijn drinken in een wit reservaat, op een welgelegen terras met welgestelde mensen.
Maar ik moet mij verhouden tot dit ongemak, omdat deze plek, de slavernij, de overzeese handel, de VOC-mentaliteit mij mogelijk heeft gemaakt: mijn leven, mijn geschiedenis, mijn zijn en mijn toekomst. Ik woon een steenworp van de grachten, loop er elke dag, en ben telkens weer onder de indruk. Als iets subliem en fijn genoeg is ga je er nooit aan wennen, gaat het nooit vervelen: de grachten, de Alpen, Rembrandt, seks.
De hoge ramen zonder gordijnen, woningen waar net als in de 17e eeuw kunst hangt, meestal Hedendaags. Maar zonder Kaap de Goede Hoop, zonder kolonisatie, zonder de rijkdrom die dag gebracht heeft, zonder het bloed, zweet, tranen van de gekleurde mens, van slaven: geen kunstgeschiedenis, geen grachten, niet mijn geliefde 17e eeuwse kunstenaars, die mij elke dag nog beroeren. Wie daarvoor moest betalen is tot vandaag zichtbaar in Kaapstad.
Ik lachte naar de bediening, een lach die altijd uitbundig wordt gereflecteerd. Een witte lach, hoe gemeend ook, kan niet op tegen een zwarte lach. Het verschil tussen de stralen van de zon en de reflectie van de maan.
Ik zeg vaker dan anders ‘thank you so much’. Ik stoorde mij aan de andere terraszitters die laconiek lijken bij deze aanhoudende apartheid die je recht in het gezicht tuft.
Maar toch, ik ben ook op vakantie, de Chenin Blanc is zacht, het weer is fucking fantastisch, de Wagyu burger mals, en het uitzicht is als de Bourgogne op speed.
Mijn moeder werd geboren in Lagos, Nigeria. Mijn opa werkte voor Tomos, hij bracht de brommers naar Afrika. Ze vertelde me hoe sommige mannen een proefrit maakten zonder te weten hoe ze moesten remmen, en pas tot stilstand kwamen door een lege tank. Ik vond het als kind een heel grappige gedachte, maar nu ik dit opschrijf kan het ook een fabeltje zijn geweest met racistische ondertoon: ‘Zie je niet hoe dom ‘ze’ zijn.’
Het was op een strand in Kaapstad waar ik mijn eerste stapjes zette. 1991. Het jaar waarin de belangrijkste apartheidswetten worden afgeschaft. Één jaar na de vrijlating van Nelson Mandela, en drie jaar voordat hij president zou worden.
Het zijn mijn favoriete babyfoto’s: ik in de armen van lachende Afrikanen. Wat ging er achter die lach schuil? Hoe was het voor mijn ouders om daar te zijn, in die periode? Spraken ze erover met mijn zwarte babysitters, of bleef de geschiedenis uit beleefdheid zwijgend tussen hen in staan? Misschien raakte het hen gewoon niet. Dit land en zijn ommekeer zou hun levens verder niet raken, een paar weken later zouden we terugvliegen naar Amsterdam.
De wetten staan niet meer geschreven, maar worden deels nog wel geleefd. Na al die jaren omgevormd tot iets blijvends. Een bijna vanzelfsprekende verdeling tussen huizen met hekken, beveiliging, stroomdraad, en woningen zonder hekken. Deels omdat er niks te halen valt, maar vooral omdat er geen geld voor is. Want Kaapstad discrimineert niet in gevaar, de plek is gevaarlijk voor iedereen, rijk, niet rijk, zwart, wit en alles ertussenin.
De weten scheiden diegene die hun stem verheffen, en diegene tegen wie de stem wordt verheft.
Ik heb familie in Zuid-Afrika. De broer van mijn opa emigreerde ernaartoe. Ik zie een grote man voor me, altijd roodverband door de zon, altijd te luid. Ik herinner mij geen gesprek met hem, alleen het gevoel dat hij mij niet aanstond. Te ruw, te luid. Ik was jong, niet ouder dan tien jaar, maar ik voelde mij kleiner in zijn buurt. Als hij had gedronken werd zijn kop nog roder, zijn stem nog vulkanischer. Dan vulde zijn aanwezigheid de ruimte zoals een lawine over een berg stormt.
De rest van mijn Afrikaanse familie ken ik niet. Ik weet dat ze heel gelovig zijn, Afrikaans spreken en ik hoorde van mijn nichtje dat ze in Stellenbosch wonen. Het witte getto. Een wereld die is ingericht op een comfortabel leven voor elke middenklasser. Een leven waar de gemiddelde Nederlander alleen maar van kan dromen: zwembaden, grote witte huizen, goede wijn, golfbanen en het huishoudelijk werk verlicht door zwarte handen: tuinmannen, nannies, schoonmakers. Een witte wereld beschermd door hoge hekken.
Ik heb het idee dat mijn familie het leven wel prima vindt zo. De scheiding tussen zwart en wit niet zo erg, want hun leven is goed. Ik denk dat ik ze zelfs racistisch vind. Alleen ik ken ze niet. Wat weet ik van leven in Zuid-Afrika? Wat weet ik van mijn familie om zo over ze te oordelen? Wat ik wel weet: het geeft me een licht genoegen dit over ze te denken. Subtiel, als een hand die even mijn arm streelt. Hetzelfde genoegen dat ik herken in mijn zusje als ze in haar elektrische auto rijdt, en mij bekritiseert om mijn benzine slurpende oude Jaguar. Het is het gevoel van deugderigheid waar ik normaal zo’n hekel aan heb.
Het is een ruime Airbnb, uitgebaat door een Zuid-Afrikaan, hij heeft twee hondjes. Ik kwam ziek aan, moest wachten tot mijn kamer klaar was en drapeerde mij als een natte vaatdoek op het ligbed buiten. De host zag mijn ellende, maakte direct toast met boter en zette een kop rooibos thee. Op Airbnb werd hij door iemand aangeprezen als ‘the nicest man I’ve ever met’, op dat moment kon ik dat beamen. Hij had een flamboyante generositeit over zich, een moderne dandy. Het was zondagochtend. Hij liep rond in een bordeauxrode ochtendjas, zijn hondjes huppelden hem overal achterna.
De volgende ochtend stond ik in de badkamer en hoorde ik ‘the nicest man’ tekeergaan tegen zijn zwarte hulp. Wat mij het meeste trof was de vanzelfsprekendheid van zijn stemverheffing. Het was alsof mijn host een kind terecht wees, maar dan zonder het vleugje vergeving en compassie. De hulp zweeg.
Ik zou het dagelijks waarnemen: de afkerende blikken van witte restauranteigenaren naar het gekleurde personeel als ze iets niet goed deden. Hun rollende ogen, het zuchten. De machtsdynamiek en het personeel die het maar over zich heen liet komen, want werk is schaars, beter uitgekafferd worden, dan geen baan. Van deze neerbuigendheid bleef geen spoor over zodra ze zich wenden tot hun klanten, tot de witten, tot mij. Het was zo’n snelle gedaanteverwisseling dat het leek alsof het nooit had plaatsgevonden, alsof ik het me had verbeeld.
Mijn kamer was duur voor Kaapstad, maar had geen wc-papier en de vieze handdoeken van de vorige gast lagen nog in de badkamer. Ik legde mijn handdoeken in de wasmand, en ging de stad in om wc-papier te kopen, zodat de schoonmaker hier niet voor op zijn kop kreeg. Later hoorde ik van de host dat hij een laatste waarschuwing had gegeven aan zijn hulp: ‘als hij zijn baan niet goed doet, straalt dat op mij af. Reviews zijn meedogenloos, laatst lag er Viagra-achtige pil onder het bed van een gast, dat kan niet. Ik train hem al twee jaar, maar zijn niveau van schoonmaken is niet wat mijn gasten verwachten, of wat ik verwacht. Ik wil perfectie.’
De hulp moest de waarschuwing ondertekenen, nog één zo’n waarschuwing en hij zou worden ontslagen. De dag na die waarschuwing rook het gehele huis naar schoonmaakmiddel. Alleen ik had de hulp niet eerder zo neergeslagen meegemaakt, gebogen schrobde hij de vloer, als een geslagen hond. ‘The house is really clean’, zei ik tegen de host, hij haalde zijn schouders op.
Breestreet, Kaapstad centrum. De stad bruist zoals alle steden bruisen die flirten met gevaar. Aan de rand van de afgrond groeien de mooiste bloemen. Hoe dichter bij de dood, hoe meer het leven gevierd wordt. Er is muziek, er zijn safety guards die een dansje doen, de stad vibreert zoals hete lucht. Ik houd van plekken die luidruchtig zijn, waar je als je goed luistert een ritme hoort waarop je kan meebewegen. Ik lach meer, flirt meer, ik vloei als een dam die doorbreekt. Als ik mij zo voel denk ik altijd onvermijdelijk: wat doe ik toch in Amsterdam?
Kaapstad wordt omarmd door de Table Mountain en kijkt uit over de oceaan. Volgens Feng Shui de ideale ligging. De berg geeft bescherming en beschutting, de oceaan overvloed en hernieuwde energie. Het licht is kraakhelder, helderder dan ik ooit ergens heb gezien. Een licht dat niets verhuld, in een stad waar desondanks veel verborgen blijft.
De taxichauffeur vraagt waar ik vandaag kom ‘Amsterdam. Holland, you know, those motherfuckers’, vaak lacht een taxichauffeur dan begrijpelijk. Een ander vraagt waarom ik dat zeg. Volgens hem denkt niemand meer zo, ‘het verleden is allang voorbij’.
Ik word afgezet in Seapoint. Het walhalla van de geïnfluencde influencers. Matcha-drinkende mannen, kleine hondjes, strakke lijven in strakke yoga pakjes.
Er liep net een bekende influencer voorbij. Ik herken haar gezicht, niet haar naam. Ik weet dat ze haar eitjes heeft laten invriezen, ik weet dat ze soms depressief is, ik weet dat haar relatie uit is, en ik ken haar buikvetrollen bijna beter dan de mijne. Ze liep arm in arm met een lange blonde surferboy, die zo stereotype is dat ik mij niet kan voorstellen dat hij een persoonlijkheid heeft die verder reikt dan ‘catching the waves’. In een koffietentje ga ik wat schrijven, bestel een ice-latte en vraag mij af waarom ik óók persé hier wil zitten. Wifi, goede koffie, havermelk. Ik luister het gesprek af van de mooiboy naast mij. Het gaat over zijn modellencontract. Bij het weggaan geeft hij mij een knipoog, en hoewel dit absoluut niet mij type is, bloos ik, tot mijn grote ongenoegen, automatisch.
Het was de Franse dichter Rimbaud die schreef iets in de trant van: ik ben bang dat anderen mij net zo zien zoals ik hen zie. Ik vraag mij nu precies hetzelfde af. Wat als zij, mijn mede ice-latte drinkende terrasgangers in mij zien wat ik in hen denk te zien: geprivilegieerd, onverschillig, oppervlakkig en zelfvoldaan?
Is dit een oordeel of discriminatie? Een oordeel is eenvoudig bij te stellen, beweegt van waarneming naar conclusie, terwijl discriminatie de tegenovergestelde richting in beweegt: van conclusie naar waarneming.
Het is een oordeel, en ik houd van oordelen, omdat die voortkomen uit observatie. Maar ik ben ook heel goed in het bijstellen van mijn oordeel. Mijn oordelen zijn kneedbaar. En deze kneedbaarheid is precies wat discriminatie mist.
Discriminatie discrimineert niet. Volgens mijn Zimbabwaanse taxichauffeur wordt hij het meest gediscrimineerd door de zwarte Zuid Afrikaanse bevolking. Zij vinden dat de andere Afrikanen hun banen inpikken, de tarieven drukken, en daarmee de markt verstoren. Andere Afrikanen mogen in Kaapstad geen huis kopen. Westerlingen wel.
Mijn opa en oma verhuisden uiteindelijk uit Lagos omdat er te vaak brandende peuken in de buggy werden gegooid waarin mijn moeder lag te slapen.
Er worden veel blanke Afrikaanse boeren vermoord. De partij die oproept tot geweld tegen ‘de boer’, de witte Afrikaners, heeft in Zuid-Afrika tien procent van de stemmen.
In de 17e eeuw
Townships zijn de gebieden waar de zwarte bevolking tijdens de apartheid moest wonen. Ver van het stadscentrum, ver van treinstations en bushaltes, ver van alles wat een plek toegankelijk en welvarend maakt. Langa is een van de oudste. Niet de gevaarlijkste, maar gevaarlijk genoeg dat taxichauffeurs vragen wat je daar gaat doen, en de hogere middenklasse er nog nooit is geweest en het ook niet van plan is.
Of het aapjes kijken is, vroeg iemand mij. Het is een vraag die haar eigen antwoord al heeft gegeven. Als jij het aapjes kijken vindt, is het aapjes kijken.
Wat ik er deed? De waarheid onder ogen proberen te komen, om een breder beeld van Kaapstad te krijgen.
Ook met de liefde van mijn gids voor Langa, hij woont er zelf, blijft het een moeilijke plek om te zien. Zwerfhonden. Tientallen kinderen op straat. Een weeshuis voor kinderen van wie de moeder zich heeft laten overtuigen geen abortus te doen. Tientallen dode schapenkoppen op een klaptafeltje, de lokale lekkernij. En al die mensen in kapotte kleding die rondzwerven omdat ze geen werk hebben. De wil, zonder weg. In de verte zag ik een man aan voor een diep spiritueel mens, ik herkende iets vredigs in hem, hetzelfde gevoel dat ik heb na een tiendaagse Vipassana cursus. Ik vroeg aan mijn gids naar het leven van deze man. ‘He? He is totally high. Crystal Meth.’
Door heel Langa zag ik dezelfde witte poster met lichtblauwe letters: Penis enlargement, abortion and bring back lost lovers. En daaronder een telefoonnummer.
Ik voelde mij relatief veilig, maar veiligheid is altijd relatief in Kaapstad. Er worden gemiddeld zeven moorden per dag gepleegd in deze stad alleen. Zeven. Per dag. Hoe relatief veiligheid is in Kaapstad zou ik een paar dagen later ervaren.
In een bar ontmoette ik R. uit Ghana. Muzikant, zevenentwintig, de jongste van zeven kinderen. Allebei zijn ouders zijn inmiddels overleden. Hij is lang, charismatisch en afwachtend zonder passief te zijn.
De volgende dag gaan we uiteten. Hij haalt mij op in een nieuwe Mercedes, een auto die hij deelt met een vriend. Hoe armer het land, des te belangrijker is het flashen met statussymbolen. Zijn witte blouse gestreken, een wollen muts over zijn dreadlocks, hij ziet eruit alsof hij uit een muziekvideo komt gelopen.
Hij racet langs de oceaan. Langs de villa’s in de bergen met uitzicht over het eindeloze stormige blauw. De huizen in de heuvels doen mij aan Hollywood denken. In zijn hand houdt hij zijn telefoon om af en toe een nieuw nummer op te zetten of naar de route te kijken. Telefoonhouders heeft bijna niemand, voor je het weet wordt je ruit ingeslagen.
Achter ons wordt getoeterd. Ongeduldig, agressief. R. slingert, en ik bedenk dat hij in Nederland waarschijnlijk nooit zou zijn geslaagd voor zijn rijbewijs. De Range Rover probeert in te halen, maar R. geeft gas. Jonge mannen in een Mercedes met een vrouw op de bijrijdersstoel: een verschrikkelijke combinatie. Het ontketent machogedrag van de ergste soort. Het lukt de bak uiteindelijk om in te halen, waarna de bestuurder hard op de rem trapt.
Er stormt een man uit, buiten zinnen, alsof we net zijn hond hebben overreden. Hij schreeuwt iets in het Engels, tikt tegen het raam van R. en zwaait wild met zijn armen. Ik kan hem niet verstaan.
‘Please chill, let him, leave it, don’t do anything’ zeg ik tegen R. Geen zin in escalatie.
‘Sure, I want you to be safe, but if I was with my friends, I would have stepped out of the car’.
Ik kijk naar de man. Slierten blond haar hangen over zijn gezicht. Hij is groot, heeft de kop van een filmster. Na zijn tirade stapt hij weer in.
Ik ben opgelucht. Totdat ik door zijn achterruit kijk. Een arm naar achteren gestrekt. In zijn hand een pistool. Ik kijk recht in de loop.
‘Fuck R., he is pointing his gun towards us.’
Wat mij opviel: hoe robuust en zwaar zo’n pistool eruitziet. Hoe stijf en recht hij zijn gespierde arm naar achteren hield.
Op zulke momenten, waarvan ik er meerdere heb meegemaakt, transformeren seconden in minuten. Pijn verdwijnt. Er is er alleen het nu, in een kraakheldere scherpte. Je ziet wat er kan gebeuren, je anticipeert. Ik zag het pistool afgaan, door zijn achteruit, door het onze. Ik zou bukken, handen over mijn hoofd, terwijl de glasscherven op mijn hoofd en rug vielen.
Er was angst, maar niet verlammend. Hij zat in een andere auto, het gevaar was relatief ver weg. Daarnaast was de situatie te bizar, de gangster te knap, het geheel te filmisch om de gebeurtenis helemaal binnen te laten. Ik durf het bijna niet toe te geven, het is ongepast, maar de situatie had ook iets erotisch. De knappe man, zijn gespierde armen, het pistool, de agressie, seks, geweld, macht en overgave.
Na een tijdje verdween de pooierbak uit het zicht.
Gedurende de avond ebde de spanning langzaam uit mijn lichaam. Maar ik bleef beduusd, zoals je gedesoriënteerd wakker wordt van een nachtmerrie en even niet weet waar je bent, wat echt was.
R. was niet bang maar woedend. Of het was angst gemaskeerd als woede. Ik zou er niet achter komen. We bestelden. Hij lam, ik hake, en een fles wit. We hadden het er niet meer over. Maar de spanning lag nog ergens tussen ons in, sluimerend.
We hebben een totaal andere achtergrond, totaal ander verleden, maar we vinden elkaar zoals een orkest na een paar seconden inspelen. We hebben dezelfde vibe, zoals hij het zou noemen. Hij vraagt veel, kinderlijk snel komt er na alles wat ik zeg een waaromvraag.
Hij vraagt naar mijn doelen. Waarom ik nog geen kinderen heb. Of ik wil trouwen. Hoeveel ik verdien. Hoeveel mijn huis heeft gekost. ‘Way too much’ zegt hij gedecideerd. Of de stad waar ik woon de hoofdstad is. Hij wil graag langskomen.
Hij wil niet per se trouwen, wel kinderen, twee, met dezelfde vrouw. Muzikant zijn. De wereld over reizen met zijn muziek. Maar dat is allemaal aan god. Hij gaat elke zondag naar de kerk.
Wat hij niet aan god overlaat: dat hij kinderen wil met a white woman.
Even is hij stil. Dan: ‘I come to Amsterdam, and I will put a baby in you. But you will take care of it.’
Ik moet lachen, ook al weet ik dat hij het ergens meent.
‘Thank you for the offer, This is the most romantic thing someone ever said to me.’
Eenmaal in Nederland schreef hij een appje dat hij eindigde met de woorden ‘love from my heart to you’ Een minuut later: ‘please call immigration today’.
Overdag loop ik rond. Ik ga dagelijks naar jiu-jitsu, werk af en toe, en ben onrustig op een manier waarop ondernemers altijd onrustig zijn: vakantie komt nooit helemaal uit. Ik probeer van de stad te houden in al zijn verscheidenheid, schoonheid en ongemak.
Ik probeer Kaapstad te begrijpen, al weet ik dat dat nooit zal lukken. Het enige wat ik kan doen is mijn hart openen en kijken wat er binnenkomt.
Ik koop pindakaas en witbrood voor daklozen. Word genaaid door een kind dat mij een brood laat kopen voor meer dan tien euro. Ik krijg de slappe lach met taxichauffeurs, ik zit er veel in, de taxi, en het meeste leer ik daar. Over dromen. Over Afrika. Over de liefde voor een continent dat veel van een mens vraagt. Over het verschrikkelijke bestuur in Zimbabwe, in Tanzania, en hoe ze allemaal naar Zuid-Afrika komen maar terug willen naar waar ze vandaan komen. Dat Afrika helemaal niet zo arm zou hoeven zijn.
Over trots: de meesten van hen de eerste in de familie met een auto. Hoe ze hun ouders meenemen op een ritje. Over hoe mooi dat is.
Nederlandse gezinnen zijn vaak trots op de eerste in de familie die ging studeren, inmiddels gemeengoed. Hier op de eerste met een auto.
De taxi chauffeurs vrage mij hoe het er bij ons uitziet, waarom we massaal naar Zuid-Afrika komen. Als ik ze vertel over bejaardentehuizen, Nederlandse mannen, onze regen, en het dalende geboortecijfer, kijken ze me deerniswekkend aan.
Ik geef niks om huidskleur, ben er in Nederland nooit mee bezig. Ik zie het wel maar ook weer niet. Zoals ik opmerk dat iemand blond of rood haar heeft, of ergens een tafel staat of een stoel, een objectief gegeven. In Kaapstad is dit anders, je moet je er opnieuw toe verhouden, of je wilt of niet. Je eigen vooroordelen, je schaduw en racisme. Het zweet en het bloed van de rassenstrijd, van slavernij, zit in de rode aarde. En de aarde vergeet niets.
Ze noemen haar the Mother City. Een moeder houdt van al haar kinderen, maar een gezin is nooit eenvoudig. Er kan sprake zijn van jaloezie, vervreemding, verwaarlozing. Een verdeeld verleden, een gedeelde pijn, die voor elk kind anders tot uiting komt. En toch blijf je familie. Want je bent gevormd uit dezelfde aarde. Kaapstad is een moeder die haar best doet haar gezin bij elkaar te houden. Maar daar slaagt ze vooralsnog niet in.
Op enkel twee minuten lopen van de Airbnb was een restaurant. Het was negen uur. Donker. Vierhonderd meter. Maar in Kaapstad loop je niet in het donker, ook al is het dichtbij. Mijn host dacht daar anders over: ‘just walk fierce’. Ik rende.
Een paar meter voor de entree stonden twee zwarte mannen achter een auto. Mijn hart bonsde in mijn keel. Ik rende erlangs. Er gebeurde niks.
Hij bleef me maar aankijken vanuit de keuken. Ik glimlachte terug, beleefd, afstandelijk. Maar genoeg glimlach voor de jonge man om te seinen dat hij me mooi vond. Hij maakte een schrijfgebaar in de lucht, hij wilde mijn nummer. Ik glimlachte en schudde nee. Maar glimlachen en nee zeggen gaat niet samen als je het meent.
Ik at mijn mashed potatoes en deed alsof ik mijn boek las. Opgerot, dacht ik, laat me met rust. Zijn smekende ogen priemden in mijn rug. Zijn collega legde een pen en papiertje neer op mijn tafeltje, ‘number’, zei hij gedecideerd. Ik schudde mijn hoofd. De jongen bleef schrijfgebaren maken, wisselde het gebaar af met biddende handen. Deze man heeft gevoel voor drama.
Ik bleef aardig, te aardig. In Europa heb ik hier geen last van, daar zou ik hem een vernietigende blik hebben gegeven. Maar ik ben in Afrika, hij is zwart. Ik wil hem geen kutgevoel geven, en ik wil niet gezien worden als een witte die arrogant doet tegen het zwarte personeel. Want ik ben wit, maar anders wit. Dus verzwakte ik mijn nee. Mijn nee werd een suggestie.
Hou zou nog drie keer naar mijn tafeltje lopen om ‘number’ te zeggen en ‘please’.
Mijn nummer kreeg hij niet uiteindelijk, maar wel een verkeerd gespelde Instagramhandle, een glimlach en ‘thank you’ toen ik vertrok.
Één minuut rennend voor mijn leven terug naar mijn Airbnb.
Al rennend dacht ik: deze coulance is ook een vorm van racisme. Verpakt, maar misschien van de ergste soort: paternalistisch. Ik zag hem niet als gelijke, maar als iemand die beschermd moet worden. Die mijn afwijzing niet aan kon.
Waarom wil ik mijn witheid overcompenseren in Kaapstad? Waarom denk ik dat ik wit ben, maar anders wit. Niet zoals de Kaapstad consumerende witte westerling? En wat als dit een gevoel is van de meeste witte toeristen in Kaapstad? Net zoals een groot deel van de Nederlanders in het buitenland zegt: ‘I am Dutch, but not typically Dutch.’
Ik moet denken aan een zin die ik ooit las op de Zwarte Cross: het meest burgerlijke is de angst om burgerlijk te zijn. Ik denk: Één van de meest ‘witte’ dingen, is de angst om wit te zijn.